Het landschap voor je klopt niet. Op de foto zag het er totaal anders uit. Dan dringt het tot je door: in april verandert hier alles in Nationaal Park Soomaa. Het waterpeil stijgt met meters tegelijk. Wegen verdwijnen, weilanden lopen onder en dorpen raken geïsoleerd van de buitenwereld. Alleen kano’s bieden nog een uitweg. ‘Het vijfde seizoen’ is hier genadeloos. Maar het water is niet het enige waar je hier rekening mee moet houden…
Grote insecten schieten heen en weer in de lucht, bliksemsnel. Een luid getik klinkt tegen de auto. Je leunt naar voren. Er zit er één op de buitenspiegel.
Het lijkt op een grote vlieg.
Een daas.
En het krioelt ervan.
Moet je hier wel uitstappen?
Je dwingt jezelf tot een beslissing en stapt uit.
Buiten word je direct aangevallen. Ze zitten overal op je handen, op je benen. Je slaat om je heen, maar het helpt nauwelijks. Elke stap door het gras maakt ze alleen maar actiever. Driftig ren je heen en weer.
Au!
Een scherpe pijn schiet door je been. Je kijkt naar beneden en probeert de daas weg te slaan.
Te laat.
Hij heeft je gebeten met zijn vlijmscherpe monddelen. Een rood puntje wordt direct zichtbaar. Het jeukt en je krabt.
Het helpt niet. De jeuk verspreidt zich, alsof het onder je huid verder kruipt.
Au!
Nog een beet.
Je draait je hoofd naar je armen. Het zoemen wordt luider. Je zet een stap achteruit richting de auto, maar je beweging lijkt het signaal te zijn. Ze komen sneller, agressiever.
Je slaat opnieuw om je heen, maar je mist er meer dan je raakt. Snel stap je in de auto en gooit de deur dicht.
Je ademt rustig uit en kijkt naar je been. Een bult wordt zichtbaar. Het voelt pijnlijk en warm aan.
Een grote wolk schuift voor de zon en werpt zijn schaduw over het gras. Binnen een paar tellen lijkt alles te veranderen.
Je kijkt door het raam.
De dazen zijn verdwenen.
Je wacht nog even en stapt dan voorzichtig uit.
Geen gezoem. Geen pijnlijke beten.
Eindelijk rust.
Snel begin je de tent op te zetten en schuif je de stokken in het ijzer.
Dan breekt de zon weer door.
Het gras begint te bewegen.
Daar zijn ze weer!
Als kleine vampieren die juist van licht lijken te houden, komen ze op je af. Net op tijd stap je in de tent en sluit het muggengaas.
De dazen patrouilleren heen en weer over het doek, alsof ze wachten tot je weer naar buiten komt.
Nou, voorlopig niet.
Uren gaan voorbij. De lucht wordt koeler en het lijkt erop dat de plaag zich eindelijk heeft teruggetrokken.
Je kookt een maaltijd en neemt die mee naar de observatietoren. Vanaf daar kijk je uit over het gebied dat enkele maanden geleden nog grotendeels onder water stond.
Wanneer de schemering inzet, klim je terug de tent in. Door het tentdoek speur je de donkere bosrand af.
Misschien laten zich vanavond elanden zien. Of een vos. Misschien zelfs een lynx.
Dan klinkt er een schelle roep uit het hoge gras.
Een kwartelkoning.
Steeds opnieuw.
Het geluid lijkt dichterbij te komen, maar hoe goed je ook kijkt, de vogel blijft onzichtbaar.
Voor de zekerheid pak je een paar oordoppen. Hopelijk helpen ze.
De hele nacht klinkt zijn roep onafgebroken over het veld. Af en toe dommel je weg, om even later weer wakker te schrikken van hetzelfde schelle geluid.
Zou de uitdrukking zo doof als een kwartel hier vandaan komen?
Als hij zo doorgaat, word je het vanzelf.
Slaperig open je je ogen.
Overal klinkt gezoem.
Nee, niet weer…
De jeuk is hevig. Op je armen. Je benen. Zelfs in je nek.
Ben je gisteren zó vaak gebeten?
Je kijkt naar je huid. Overal rode bulten.
Dan kijk je omhoog.
Tientallen muggen zitten tegen het gaas van de tent.
Hoe zijn die binnengekomen? Zit er ergens een gat?
Je komt overeind en kijkt de tent rond.
Dan zie je het.
Het raam staat open.
Je kijkt naar de rits.
Verkeerde rits.
Je slaat jezelf voor je hoofd.
Je hebt vannacht gewoon het raam opengelaten.