Verdwaald tussen de bomen

De kaart ligt geopend voor je, maar hoe langer je ernaar kijkt, hoe minder de werkelijkheid lijkt te kloppen. Tussen jonge groene berken en hoog opschietend onkruid tekent zich vaag iets af wat ooit een weg was. Het lijkt alsof er al jaren geen mens meer is geweest.

Je twijfelt even. Doorrijden of omkeren?

Je besluit door te rijden. Je schakelt naar vierwielaandrijving en laat de auto rustig op gang komen. Terwijl de banden zich een weg banen over grote keien, schrapen laaghangende takken langs de zijkant. Bij elke hobbel schudt de auto je heen en weer. Je blijft het pad volgen, steeds dieper het bos in.

Daar, tussen hoge naaldbomen, verschijnt een schuur. Het dak is volledig bedekt met mos en de deur ontbreekt. Struiken hebben zich door de kieren in het hout naar binnen gewerkt. Even gluur je naar binnen. Er trekt een rilling door je heen.

Je rijdt verder, de bocht om. Het pad daalt steil af, waardoor je niet goed kunt zien waar het naartoe loopt. Na de volgende bocht opent het bos zich. Voor je ligt een verlaten gravelpit, midden in het bos. Op de grond ligt een cirkel van keien met daartussen verkoolde houtresten. Ernaast liggen grote veren, nog vast aan een stuk huid.

Wat is hier in hemelsnaam gebeurd?

Alsof een roofdier hier zijn prooi heeft achtergelaten.

Je stapt uit de auto en volgt een smal pad dat dwars door het struikgewas loopt. Een grote rots doemt op. Je klimt erop en dan dringt het tot je door hoe hoog je staat. Ver beneden glijden twee rode kano’s over het donkerblauwe water. Verder niets dan bomen, zover je kunt kijken. Er heerst een diepe, bijna onwerkelijke rust.

Je draait je om en loopt terug. Zodra je bij de plek bent, glijdt je blik opnieuw over de huid met veren.

De zon zakt langzaam achter de boomtoppen en de schaduwen worden langer. Niet veel later rits je de tent dicht. Die nacht lig je warm in je slaapzak, maar je slaapt niet. Elke vezel in je lijf staat op scherp. Je bent klaarwakker, ook al is het doodstil om je heen.

Plots waait met een ruk het tentdoek omhoog.

Je schrikt.

Is het de wind?

Tenminste, dat hoop je.

Buiten kraakt een tak.

Je luistert.

Maar je hoort alleen de wind ruisen door de bomen.

Verder blijft het stil.

Je schuift je hoofd dieper in je slaapzak en sluit je ogen.

Langzaam worden je oogleden zwaar, tot de vermoeidheid het wint en je wegzakt in een diepe slaap.

Een strook warm ochtendlicht valt door het tentdoek op je gezicht. Vogels fluiten. Je kijkt op je horloge: negen uur. Je trekt een T-shirt over je hoofd en schiet je broek aan.

Buiten staat de zon al hoog aan de hemel. De plek ligt er vredig bij. Ook de veren ogen ineens een stuk minder dreigend. Geen spoor van mens of dier. Toch blijft je blik nog even hangen bij de rand van het bos. Ergens heb je het gevoel dat de stilte hier iets verbergt.

Na alle spanning van de nacht begint je maag zachtjes te knorren. Je zet het kookstel aan en maakt een roerei met knäckebröd. Daarna is het tijd om jezelf op te frissen. Een douchegebouw is hier nergens te bekennen.

Het is een uitdaging.

Elke keer ontdek je dat je meer kunt dan je denkt.

Juist de kleine dingen voelen ineens als overwinningen.

Dus je kookt wat water in een pan en vult een bak. De buitendouche hang je op en ook het draagbare toilet, een Boxio, staat klaar voor gebruik.

Je kijkt nog een keer om je heen.

Er is hier echt niemand.

Dan trek je je kleding uit en zet de douche aan. Het warme water stroomt langs je huid. Het vuil en de spanning van de nacht spoelen van je af.

Daar sta je, poedelnaakt tussen de hoge dennenbomen.

Nergens een mens te bekennen.

Je glimlacht.

Het voelt vrijer dan je ooit had verwacht.