De mooiste plekken laten zich niet plannen. Je vindt ze wanneer je afwijkt van de route, een onbekende weg inslaat en besluit te kijken waar die je brengt.
Midden in de Zweedse wildernis, verscholen tussen bossen en meren, wacht zo’n plek. Een eiland dat lijkt te zweven tussen lucht en water.
Pas wanneer je dichterbij komt, zie je waarom.
Je rijdt noordwaarts, zonder te weten waar de weg je zal brengen. De wegen lijken hier eindeloos. Kleine dorpen en verspreide boerderijen glijden voorbij. Tussen het groen duiken bruinrode huizen op. Allemaal van hout, geschilderd met Falu-rood, een pigment uit de kopermijnen dat het hout beschermt tegen het ruwe Scandinavische klimaat.
Hoe noordelijker, hoe leger het wordt. Uitgestrekte bossen en meren nemen het landschap over. Af en toe doemt er een huis op tussen de bomen. Sommige lijken eerder verlaten dan bewoond.
Hoe zou het zijn om hier te wonen?
Op de kaart zie je een gravelweg die eindigt bij een afgelegen meer. Rondom is geen bebouwing te zien, alleen bos en water. Nieuwsgierig sla je af. Na een tijdje kom je uit op een open plek. Een tractorspoor verdwijnt tussen de struiken. Je parkeert de auto uit het zicht en loopt verder.
Aan de oever ligt een kleine houten vlonder, met daarnaast een strookje kiezelstrand. Je zet je stoel neer en gaat zitten. Het zonlicht valt over het water en warmt je gezicht. Even sluit je je ogen.
Geen verkeer.
Geen stemmen.
Alleen het zachte ruisen van de wind door de bomen.
Dan klinkt het luide gekwaak van een parelduiker over het meer.
Je opent je ogen.
Midden in het meer ligt een eiland. Tussen de slanke sparren staat een houten huis verscholen. Aan de gevel hangt een reddingsboei en iets verderop staat een rode picknicktafel.
Zou daar iemand wonen?
Je speurt het eiland af.
Geen steiger.
Geen boot.
Geen spoor van leven.
Alleen het huis.
In het spiegelgladde water vervaagt de grens tussen lucht en water. Het eiland lijkt te zweven, alsof het loskomt van het water. Je blik keert steeds terug naar het eiland, totdat je langzaam het besef van tijd verliest.
De nacht valt, al wordt het nooit echt donker. De midzomernachten zijn aangebroken. Door de opening van de tent zie je hoe het bos zacht verlicht blijft.
Je kruipt in je slaapzak en dooft het lampje.
In de verte klinkt een geluid.
‘poe… poe… poe…’
Nog een keer.
Dichterbij nu.
Je luistert zonder te bewegen.
Voorzichtig pak je je telefoon. Je opent de vogelherkenningsapp en start een opname.
Een paar seconden later verschijnt een naam op je scherm: de ruigpootuil.
Zachtjes rits je de tent open.
Met de zaklamp in je hand schijn je tussen de takken.
Daar zit hij, hoog in de boom.
Felgele ogen kijken je aan.
Zijn kop draait langzaam mee terwijl je beweegt.
Je maakt een foto.
Dan is het genoeg.
Je dooft de zaklamp en laat hem met rust.
De volgende ochtend verwarmt de zon het meer al vroeg. Voor het eerst sinds dagen voelt het zomers aan. Met een kop koffie in je hand loop je naar het meer.
Het water is bruin, als thee die te lang heeft getrokken, maar helder genoeg om de stenen op de bodem te zien liggen.
Je gaat op de rand van de vlonder zitten en laat je voeten in het water zakken.
De kou trekt meteen door je benen. Je zet de dampende kop koffie naast je neer. Voorzichtig waad je het water in. Voor je het weet ben je kopje-onder.
De duik maakt je in één klap klaarwakker. Je draait je op je rug en laat je even drijven. Alleen het zachte gekabbel om je heen.
Dan zwem je terug naar de vlonder, pakt een handdoek en slaat die om je schouders. Je kijkt uit over het stille meer.
Achter je klinkt plots het knarsen van banden op grind.
Je draait je om.
Een man op een fiets komt aangereden.
Hij remt en zwaait je vriendelijk toe.
Wacht eens even…
Is hij nou… naakt?
Hij stapt af.
Zonder aarzeling duikt hij het water in.
Zo snel als hij erin gaat, is hij er ook weer uit.
Even later is hij alweer verdwenen tussen de bomen.
Je neemt een slok koffie en grinnikt.