Muggen, mampieren en elanden

Je trapt hard op de rem.
De gordel snijdt in je maag.
Je hart klopt in je keel.
In je ooghoek beweegt iets.
Een schaduw op lange poten.

Voordat je kunt zien wat het is, springt het dier de weg op.

Met zijn enorme lijf en lange poten dendert hij in volle vaart tussen de bomen. Takken kraken en breken.

Pas dan dringt het tot je door wat je zojuist hebt gezien.

Een eland.

Een mannetje. Zijn gewei was nog niet volgroeid.

Nog even blijf je naar het bos kijken. Alsof hij ieder moment opnieuw tussen de bomen kan verschijnen. Maar je weet dat het niet gaat gebeuren.

Stapvoets rijdt je verder. Je speurt het bos af naar iedere beweging. Grote keien, begroeid met donkerbruin mos, brengen je voortdurend in de war. Ze lijken op harige elandenlijven.

Niet veel later opent het bos zich onder een rij hoogspanningsmasten. Langs de brede strook groeien jonge berken dicht op elkaar.

In de verte beweegt iets.

Je grijpt naar de verrekijker.

Nog één.

En nog één.

Wel verrek!

Twee elanden kijken je kort aan. Een paar seconden later verdwijnen ze weer tussen de bomen.

Een glimlach verschijnt op je gezicht. De afgelopen weken kwam je overal sporen tegen. Platgetrapte jonge bomen. Pootafdrukken in de modder. Keutels. Heel veel keutels.

Iedere keer dacht je dichtbij te zijn, maar tevergeefs.

Nog geen glimp.

Tot vandaag.

Je weet het zeker. Hier blijf je vannacht. Midden in het elandengebied.

Een stuk verderop staat een jachtstoel. Althans, wat er van over is. De constructie staat op instorten en het struikgewas groeit er dwars doorheen.

Zou hier nog steeds op elanden worden gejaagd?

De weg eindigt in een doodlopende lus. Voor je ligt een open strook langs de bosrand.

Dit is de plek.

De lucht wordt donker en de eerste spetters vallen op de voorruit.

Snel stap je uit en ontvouwt de tent. De druppels worden groter. Nog net voordat de zware bui losbarst, ben je binnen.

Je trekt een droge trui aan en maakt een kom warme soep. Door het raam kijk je naar buiten. De donkere wolken trekken uiteen en aan de horizon verschijnt opnieuw licht.

Fijn, want je hebt een missie.

Vanavond ga je op elandenexpeditie.

Te voet.

Hier, midden in het natuurgebied.

Zodra je naar buiten stapt, voel je kleine speldenprikjes op je huid. Je slaat naar je nek, dan naar je arm, je gezicht. Minuscule vliegjes zwermen om je heen.

Driftig zwaai je met je armen in het rond.

Mampieren.

Knutten, knaasjes of knozels. Hoe ze ook heten, de minuscule bijters weten iedere onbedekte plek te vinden. Zo klein dat je ze nauwelijks ziet.

Je probeert niet te krabben.

Want het jeukt.

O, wat jeukt het.

Toch loop je door, langs de struiken. Tussen de twee grindsporen groeit zacht gras. Langzaam, bijna geruisloos, zet je de ene voet voor de andere. Je ogen speuren van links naar rechts over het gebied.

Wat als er ineens één uit de bosjes springt?

Focus.

Geritsel vanuit de struiken.

Voorzichtig loop je de bocht om.

Je brengt de verrekijker naar je ogen.

Daar.

Tussen de jonge berken.

Een vrouwtje.

Rustig knaagt ze aan een tak.

Het gezoem om je heen zwelt aan. Muggen, landen op je handen en in je gezicht.

Je probeert ze weg te slaan. Je voelt ze prikken. Het jeukt en je wilt krabben.

Maar je blijft stokstijf staan.

Dit is het moment waar je op hebt gewacht.

Langzaam til je de camera op. Door de lens lijkt de eland nog groter. Een donkerbruine vacht. Een lange snuit en grote oren.

Je zakt langzaam door je knieën en schiet een foto.

Klik.

Haar kop schiet omhoog.

Ze kijkt je strak aan, haar oren gespitst.

Je durft nauwelijks te ademen.

Dan kraakt er een kiezel onder je schoen.

Aai.

Ze schiet weg.

Met een paar grote sprongen verdwijnt ze tussen de bomen.

Alsof ze er nooit is geweest.

Je laat de camera zakken en kijkt op het scherm.

Eindelijk.