In het hart van Fulufjället

De lucht wordt kouder naarmate je hoger de bergen in rijdt. Langs de weg verschijnen de laatste sneeuwvelden. De winter lijkt hier nog niet helemaal verdwenen. Pas bij Njupeskär ontdek je hoe riskant die laatste sporen kunnen zijn.

De route voert je zelfs even door Noorwegen voordat je Zweden weer binnenrijdt. Het landschap verandert nauwelijks. Bossen, bergen en sneeuwvelden blijven elkaar afwisselen.

Niet veel later draai je het parkeerterrein van Nationaal Park Fulufjället op.

Er staan verrassend veel campers en busjes. Je pakt je rugzak en loopt naar de ingang van het park. Op het grote informatiebord bekijk je wat hier te ontdekken valt.

Je slaat rechtsaf en volgt een lange houten vlonder langs een stil meer. Aan de overkant rijst Fulufjället boven het water uit. Op de hoogste delen liggen nog sneeuw en ijs.

Boven de berg hangt een donkergrijze lucht die weinig goeds belooft.

Dan breekt de hemel open.

Dikke druppels kletteren naar beneden. Tegen beter weten in, en alsof het nog iets uitmaakt, trek je de capuchon van je regenjas verder over je hoofd.

Binnen enkele seconden ben je doorweekt.

In de verte staat een grote den. Je rent ernaartoe en zoekt beschutting onder de takken. De regen klettert op de naalden en stroomt langs de bast naar beneden.

Voor je slingeren beekjes door het landschap. Frisgroene berken lichten fel op tegen de donkere lucht. Tussen de bomen verdwijnen smalle wildpaadjes het bos in.

Bijna sprookjesachtig.

Na enkele minuten wordt de regen minder. Je verlaat de beschutting en vervolgt de route.

Een steile trap brengt je verder naar beneden. Met iedere trede wordt het geraas luider.

Dan verschijnt Njupeskär tussen de bomen.

De waterval is 93 meter hoog, waarvan het water 70 meter vrij naar beneden valt. Daarmee heeft Njupeskär de hoogste vrije val van Zweden.

Via het vlonderpad wandel je steeds dichter naar de waterval toe. Voor je stort een enorme watermassa zich met geweld naar beneden. Neveldruppels waaien je van grote afstand tegemoet en leggen een vochtige waas over het pad.

Aan de voet ligt een dik pak ijs. Voetsporen lopen eroverheen, richting het vallende water.

Even twijfel je.

Toch zet je een stap vooruit.

De sneeuw kraakt onder je schoenen terwijl je voorzichtig over het gladde ijs schuifelt. Je ogen blijven strak op de grond gericht.

Nog één stap.

Dan glijdt je voet plotseling weg, vlak naast de kolkende rivier.

Je adem stokt.

Op het nippertje vind je je evenwicht terug.

Zonder te aarzelen draai je je om. Stap voor stap ga je terug naar de houten vlonder.

Pas wanneer het hout weer onder je schoenen kraakt, adem je uit.

Eén stap dichter bij de waterval was er één te veel.

Wanneer je de parkeerplaats bereikt, begint het al te schemeren. De campers en busjes staan er nog steeds. Door de ramen zie je mensen warm en droog binnen zitten.

Je zou hier kunnen blijven.

Maar je zoekt iets anders.

Een plek midden in de natuur.

Je verlaat het parkeerterrein en slaat vanaf de hoofdweg een smal gravelpad in. De weg eindigt bij een open plek naast een klein ven. Jonge berken groeien rond het water, verspreid tussen het moerassige gras.

Zodra je uitstapt, moet je opzij stappen.

Overal liggen keutels.

Alles wijst erop dat hier elanden komen.

Je klimt de tent in en ritst het raam een stukje open. Vanuit je slaapplaats kijk je uit over het water.

De avondlucht is koel.

En het is stil.

Doodstil.

Langzaam speur je de oevers af in het laatste schemerlicht.

Dit keer zet je geen stap.

Je wacht.

Dan kraakt er ergens in de verte iets.

Je verstijft.

Nog een kraak.

En dan weer stilte.

Je houdt je verrekijker stevig vast en blijft naar de donkere oever kijken.

Zou je deze nacht geluk hebben?